Skip to content

Medezeggenschap binnen Amaris

De Centrale Cliëntenraad: scherp op wat cliënten belangrijk vinden

De Centrale Cliëntenraad (CCR) van Amaris is een actieve en deskundige gesprekspartner van de Raad van Bestuur. De CCR wordt structureel betrokken bij alle besluiten die de kwaliteit van zorg en het leven van cliënten raken. Om goed voeling te houden met de praktijk, overlegt de CCR roulerend op de verschillende Amaris-locaties. Via de leden die ook zitting hebben in de lokale raden en de ambtelijk secretaris, die nauw contact onderhoudt met de lokale cliëntenraden, weet de CCR wat er op de werkvloer speelt.

Het afgelopen jaar adviseerde en stemde de CCR over cruciale thema’s zoals de nieuwe zorgstructuur, het nieuwe beleid Wet zorg en dwang, de invoering van het ECD PUUR (Electronisch Cliëntendossier), de jaarrekening, begroting en de bestuurlijke fusie met King Arthur Group (KAG). De CCR toetst hierbij altijd of vernieuwingen daadwerkelijk bijdragen aan een betekenisvol leven voor de cliënt. Ook bij grote huisvestingsprojecten zoals de nieuwbouw van de Amerhorst was de raad nauw betrokken. Daarnaast toonde de CCR haar betrokkenheid bij de organisatie door actief mee te werken aan de werving van nieuwe CCR-leden, de ambtelijk secretaris en nieuwe leden van de Raad van Toezicht.

Met een vernieuwde visie & missie, medezeggenschapsregeling en faciliteitenregeling die op dit moment worden uitgewerkt, zet de CCR stappen om haar positie verder te professionaliseren. Zo borgt de CCR mee dat het cliëntenperspectief altijd centraal staat in de koers van Amaris.

Reflectie op kwaliteit: de OR als gesprekspartner

De betrokkenheid van de Ondernemingsraad (OR) en de lokale Onderdeelcommissies (OC) laat zien dat kwaliteit van zorg en kwaliteit van werk onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Vanuit ervaringen en signalen uit de dagelijkse praktijk brengt de OR steeds opnieuw het perspectief van medewerkers in bij de ontwikkeling en bijstelling van beleid. Dat helpt om keuzes niet alleen vanuit beleid of systeem te benaderen, maar ook vanuit wat dit betekent voor het werken met cliënten en hun naasten.

In gesprekken over het organiseren van het werk is dit zichtbaar geworden bij thema’s als de invoering van de regiopool, de afbouw van de inzet van zzp’ers en de keuze voor een nieuw elektronisch cliëntdossier. De OR heeft daarbij aandacht gevraagd voor werkdruk, roostering, ondersteuning en scholing, en voor de vraag hoe veranderingen bijdragen aan continuïteit en kwaliteit van zorg. Deze reflecties hebben het bestuur geholpen om beleidskeuzes te toetsen aan de uitvoerbaarheid in de praktijk.

Ook bij onderwerpen die raken aan professioneel handelen en leren, zoals de ontwikkeling van het beleid rond de Wet zorg en dwang, heeft de OR een spiegel voorgehouden. Door aandacht te vragen voor duidelijke rollen, deskundigheid en nazorg na ingrijpende situaties, is nadrukkelijk stilgestaan bij wat beleid vraagt van medewerkers en welke ondersteuning daarbij nodig is.

Daarnaast denkt de OR mee over ontwikkelingen die invloed hebben op de samenwerking met cliënten en hun omgeving, zoals bij de visieontwikkeling rond Sterker Thuis en de toekomst van de geriatrische revalidatiezorg. Daarbij staat o.a. de vraag centraal hoe samenwerking met naasten en het netwerk van cliënten kan worden versterkt, zonder dat dit ten koste gaat van werkbaarheid en professionele ruimte.

Deze voortdurende dialoog tussen bestuur en OR draagt bij aan een lerende organisatie, waarin beleid niet losstaat van de praktijk, maar zich ontwikkelt in samenhang met ervaringen, dilemma’s en inzichten uit het dagelijks werk.

VVAR

Aanvulen